inhoud | terug

De equipage

 

Voor de kleding is uit gegaan van een Engelse aanspanning. Deze past het mooiste bij de break als deze wordt uitgebracht als herengerei of als dienstaanspanning. De leidraad van de kleding is gehaald uit het “Aangespannen paard” van Bartels. De meeste van onderstaande richtlijnen komen hieruit.

Voor de kleding van de mensen op het rijtuig moet een onderscheid gemaakt worden in het bij het rijtuig horende personeel en de passagiers. Het personeel is altijd volgens een vaste code aangekleed. Voor de passagiers moet beslist worden of deze gekleed gaan in de authentieke kleding van een bepaalde periode of dat er modern klassiek wordt gekleed. Het mengen van deze twee mogelijkheden is naar mijns inziens een slechte keuze, het wordt zo gauw hinken op twee gedachten, vlees noch vis.

 

Voor het personeel wordt er in de kleding onderscheid gemaakt in de functie van de persoon. We onderscheiden de koetsier, de groom (hulpkoetsier), en de heerrijder, deze laatste neem ik voor de kleding mee met het personeel omdat naar mijn mening hier ook een strakke eis is aan de kleding.

Algemeen.

 

Voor allen geld dat er geen overdadige sieraden gedragen worden. Het personeel draagt in het geheel geen sierraden. Digitale horloges zijn uit den boze. Zonnebrillen uitsluitend bij felle zon en dan een eenvoudig klassiek model. In ieder geval beslist geen spiegelende piloten brillen.

 

De koetsier.

 

De koetsier draagt een lange getailleerde jas tot aan of iets over de knie. Aan de voorzijde bevinden zich zes metalen knopen. Op de rug bevinden zich vier metalen knopen waarvan twee op de taillenaad, onderling 20 cm uit elkaar en op 10 cm onder de taillenaad de andere twee knopen. Op de heupen zijn twee patjes genaaid ter groote van een normale zakklep.

Bij een zwarte, blauwe of peperen zoutkleurige rijtuig stoffering past een zwart tenue, bij een blauwe, bruine of groene bekleding een blauw tenue. Een beige of zandkleurig tenue kan bij elke kleur bekleding worden gedragen.

De kleur van de metalen knopen wordt afgestemd op het beslag van het rijtuig en tuig.

Het overhemd moet worden voorzien van rechtopstaande afgeronde boorden Het kraagje kan afknoopbaar zijn maar dit is geen vereiste.Om de hals zit een plastron zonder zichtbare dasspeld. De meningen hierover zijn verdeeld maar Bartels ging uit van het standpunt dat een koetsier zich geen sieraden kon veroorloven.

De broek is een leren rijbroek gewit met krijt en voorzien van een geknoopt voorpand. In de hedendaagse praktijk een normale rijbroek. De vertikale rij knopen aan de broekspijp bevind zich 4 cm boven de laarsrand aan de voorzijde van het scheenbeen.

De laarzen zijn van zwart leer met leren kappen in naturel (kalfs)leer van ongeveer 11 cm breed. Dit mogen beslist geen kunststof kappen zijn.

De handschoenen zijn van naturel gekleurd varkensleer. Echter beslist geen autohandschoenen.

Als hoed draagt de koetsier een zwarte hoge hoed van 15 a 16 cm hoog met een smal lint en aan de rechterkant eventueel een bescheiden kokarde. De koetsier heeft ten allen tijde een zakmes bij zich.

De groom.

 

Voor de groom gelden de zelfde eisen als de koetsier. Echter is het jasje vaak iets korter tot halverwege de dij en heeft in ieder geval zes knopen op de rug en geen patjes op de heup.

 

De heerrijder.

 

De heerrijder gaat gekleed in een grijs kostuum met een grijze hoge hoed (geen bolhoed) met een breed lint. Het hoeft niet perse een zijden hoed te zijn daar dit in het paardegebeuren gemakkelijk beschadigd raakt.  Als overhemd een klassiek model met een vastgestoken brede stropdas of beter een vadermoordernaar met een jabot. Dit is een kraagje dat rechtop staat met de punten omgevouwen.Aan de voeten nette zwarte schoenen met klassiek model. Ook de heerrijder heeft als actief lid van de bemanning een zakmes bij zich. Om zijn kostuum te beschermen draagt de heerrijder altijd een niet te opvallend schootskleed. Uit veiligheidsoogpunt is het niet aan te bevelen dat deze als een koker de benen omsluit, in noodsituaties kan men zich dan niet goed bewegen. Beter is een schootskleedl dat aan de achterzijde open is. Een leuk detail is een zakhorloge maar dit is niet noodzakelijk. De handschoenen zijn van naturel gekleurd varkensleer. Echter beslist geen autohandschoenen. De heer heeft een frisse bloem in het knoopsgat let wel dat er tochten zijn waarbij een corsage niet op prijs wordt gesteld.

 

Er wordt wel eens gesteld dat bij familierijtuigen de heerrijder bij een donker pak een donkere hoed draagt en bij een grijs pak een grijze hoed.

Passagiers klassiek.

 

Als klassiek tenue voor de heren houden we een grijs of donker gekleurd kostuum aan met bijpassende klassieke schoenen en grijze sokken. De heren dragen een klassiek overhemd met brede vastgestoken stropdas of een vadermoordenaar met jabot. In ieder geval draagt de mannelijke passagier een zwarte hoge hoed (geen bolhoed). Deze kan van zijde zijn maar dit is niet noodzakelijk. De hoed heeft een breed lint. De heren kunnen een zakhorloge dragen. Ruitjes jasjes en broeken zijn niet passend. Een lange grijze regenjas kan bij slecht weer de zaak completeren. De heer hoort een frisse bloem in het knoopsgat te hebben

 

De dames in klassiek tenue moeten oppassen voor de overvolle valkuil waar reeds velen in zijn getuimeld: een donkerpakje met een donkere hoed. Het gebruik van vrolijke gekleurde hoeden maakt of breekt een aanspanning. Doe gerust een leuke licht gekleurde zomerjurk of mantelpakje van tweed of flanel aan met een crême-kleurige, gele of cyclaamkleurige hoed. De enige reden waarom het soms niet gaat is dat het weer te slecht is voor zomerse jurken.Bij voorkeur is de blouse hoogsluitend een verplichting is dit echter niet.Wat echter ook bij slecht weer kan zijn gekleurde hoeden en frisse shawls of stola’s. Ook de dames gaan getooid met een frisse bloem. Schoenen met hoge hakken uit veiligheids oogpunt niet gewenst. In geval van nood moet men snel van de koets kunnen komen. Daarnaast zijn hoge hakken van weinig nut om dat het grootse deel van de reis wordt gezeten.

Het is niet de bedoeling dat alle passagiers precies dezelfde kleding dragen. Dit geeft een zeer onnatuurlijk effect. Iedereen had ook vroeger liefst andere kleding aan dan de andere gasten.

 

Let bij kinderen op dat deze geen gympies dragen. Verder als de heren of dames kleding echter geen hoge hoed. Wel kan een eenvoudige klassieke pet gedragen worden (geen baseball caps etc.)

Passagiers historisch.

 

Voor de historische aankleding van de passagiers met een periode worden gekozen waarin het rijtuig gangbaar was. Voor de meeste rijtuigen zit die periode tussen 1850 en 1920. In die periode moet onderzoek gedaan worden naar de gedragen modellen en de toegepaste materialen. Ook de schoenen, hoeden en de accessoires uit die periode moeten worden uitgezocht. Er moet zorg worden besteed dat alle passagiers, zowel de heren als de dames en de kinderen met kleding uit de betreffende periode  lopen. Let ook op dat het kleding betreft waarmee men op het rijtuig zat dus geen avondkleding of zo. Tevens moet worden bedacht dat niet alle dames op een koets een kleed van het zelfde stofje hadden. Het is

ook de vraag of de stof van de parasols, de jurken, de kinderblouses en het schootsvel van de heerrijder een en dezelfde was. Als er zich een tweeling onder passagiers bevind is het misschien een ander verhaal.

Kortom om het goed te doen is de historische kleding een klus op zich die erg veel tijd en onderzoek vergt.

 

Waak er voor dat het geen verkleedpartij wordt met allerhande kledingstukken van grootmoeders zolder en de carnavalsdoos.

 

inhoud | terug | top